A Masterly Hand / Scientia Artis 9

85 Gerard Venner 3 84 tweederde gedeelte. In 1980 heb ik verondersteld dat Johan van Oel gehuwd met Margriet ook een zoon van Johan van Oel en Nael was. De overigen ­ zouden dan kinderen en schoonkinderen van een derde vooroverleden zoon zijn geweest. Er zouden dan twee meisjes in dit laatste gezin zijn met de ­ voornaam Mette, hetgeen weliswaar mogelijk, maar niet zo waarschijnlijk is. Men zou dus eerder kunnen vermoeden dat de overdragende personen van tweederde gedeelte van het huis, inclusief Johan van Oel gehuwd met Margriet, tot twee gezinnen behoorden die elk een dochter hadden die Mette heette. De akte van 22 oktober 1551 vermeldt dat zij hun aandelen van hun ‘ alden vaeder ind moeder’ hadden geërfd, hetgeen door het bijvoeglijk naam- woord ‘alden’ als grootvader en grootmoeder kan worden gelezen. Hoe het ook zij, Johan van Oel en Nael hadden in ieder geval drie zonen, waarvan er zeker één en waarschijnlijk twee al vóór hun dood in 1550-1551 waren overleden. Als punt van nader onderzoek resteert nog dat in het overdrachtsprotocol in 1548 een Johan van Oel en Aleydis worden genoemd en in 1549-1551 een Johan van Oel en Nael. In eerste instantie zou men aan twee echtparen moeten denken. Aan de andere kant is op te merken dat de namen Aleid en Nael in de zestiende eeuw onderling verwisselbaar waren. Zo leefde ten zuiden van Arnhem een tijdgenote die afwisselend Aleid en Naalke werd genoe md. 117 Het is dus goed mogelijk dat het ook in dit geval om dezelfde personen gaat. Opvallend is immers dat de eerste transactie uit 1548 plaatsvond tussen Johan van Oel en Aleydis enerzijds en Gairt van Oel en Ummel anderzijds, die wij in 1549-1550 kennen als zoon en schoondochter van Johan van Oel en Nael. Zoals beschreven verkochten Johan van Oel en Nael in 1550 een half huis in de Minderbroederstraat gelegen naast het hoekhuis in de Begijnenstraat. Doordat de zoon Gairt van Oel van het naastingsrecht gebruik maakte, kwam het halve huis in bezit van Frans Hazewynckell. Het huis van wijlen Johan van Oel en Nael dat in 1551 door de erfgenamen werd verkocht, lag eveneens in de Minderbroederstraat en wel tussen dat van wijlen Frans Haeswynckel en dat van Jacop van Holzwylre. In 1548 verkochten Johan van Oel en Aleydis een rente aan Gaert van Oel en Ummel ten laste van een half huis gelegen aan de westelijke zijde van de Minderbroederstraat en grenzend aan het huis van Jacob Lynkens van Holtzwilre. Het is dus, gezien de namen van de eigenaren van de belendende huizen, zeer wel mogelijk dat in 1548 en 1551 hetzelfde huis werd bedoeld, hetgeen er op zijn beurt op wijst dat Johan van Oel en Aleydis dezelfde personen zijn als Johan van Oel en Nael. De nakomelingen van Johan van Oel en Nael worden enige keren in de Roermondse overdrachtsprotocollen genoemd. De zoon Gairt van Oel ver- kocht op 23 oktober 1551 met toestemming van Ummel een perceel van 6 staal akkerland buiten Zwartbroek aan Heesken en Jan Welters, broer en zus. Daarna oefende de dochter Johanna van Oel wederom het naastingsrecht uit en verkocht het perceel aan de beide oorspronkelijke kopers. Op 3 augustus 1556 verkocht Johan Hynsen met toestemming van Else een rente van 11 rijder- gulden ten laste van zijn huis op de hoek van de Pelserstraat aan Gadert van Oel en Immel. De rente kon met 180 rijdergulden worden afgelost. Vele jaren later, op 30 maart 1570, verklaarde Gaert van Oel dat hij deze 180 rijdergulden had ontvang en. 118

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=