A Masterly Hand / Scientia Artis 9
9 juni 1490 geregistreerd: ‘Die meister van den tymmerluden op Johan van Oel den bildensnijder, yst saicke dat hij huen ampt gebruyckt, sall hij dat ampt gelden, want sij huem vorder betichtigen dan van bildensnijden’ (afb. 3.1). 85 Johan van Oel was in conflict geraakt met de meesters van het timmer liedenambt die hem ervan beschuldigden, naast het snijden van beelden, werk- zaamheden te verrichten die onder de timmerlieden ressorteerden. Wanneer hij aldus ‘huen ampt gebruyckt’, moest hij ‘dat ampt gelden’, met andere woor- den door betaling het lidmaatschap van het timmerliedenambt verwerven. Uit het voorafgaande blijkt dat de beeldsnijder Johan van Oel niet tot het gilde der timmerlieden behoorde. Daarmee wijkt de Roermondse situatie bijvoorbeeld af van die te Maastricht. Krachtens Maastrichts raadsbesluit van 1428 behoorde degene die houten beelden vervaardigde onder het timmer liedengilde en wie beelden van steen vervaardigde onder dat van de metselaars en leidekkers. Wie zowel stenen als houten beelde n maak te, mocht kiezen van welk van de twee ambachten hij lid wilde word en. 86 In Kleef zou de beeld snijder Dries Holthuys tot het gilde der schrijnwerkers hebben behoord dat ook beeldhouwers in steen omvat te. 87 In Roermond ressorteerden de beeldsnijders blijkens de veel latere statuten van 23 november 1600 onder het goudsmeden- ambt, al rees ook hier in 1620 de vraag of de beeldsnijder Lambert Moelen lid moest worden van het schrijnwerkersambt of van het goudsmedenambt. De magistraat besliste uiteindelijk ten gunste van het goudsmedena mbt. 88 Het volgende gegeven uit 1515 leert dat Johan van Oel de beeldsnijder ook eigenaar van een huis was. Op 9 februari 1515 droeg Leonart Kannegieter met toestemming van Mette een grondrente van 2 Hornse postulaatgulden over aan Johan van Eyck en Barbara. De grondrente rustte op het huis van de ver- kopers dat gelegen was bij de minderbroeders tussen het huis van Johan van Oel ‘den bieldensnijder’ en het huis genaamd ‘die Kaic ke’. 89 H et laatste huis gelegen bij de minderbroeders geheten ‘op die Kaicke’ wordt overigens al in 1488 en 1509 verme ld. 90 Vo or de schepenen van Roermond droeg Catrijn Poirtgens met toestemming van haar echtgenoot Gairt Eggels op 19 september 1553 aan haar (schoon)kinderen het vruchtgebruik en recht over dat zij bezat op een vierde gedeelte van het huis dat zij en haar eerste man Frans in ’ t Hoefijseren van Johan van Oel ‘den bildensnijder’ hadden gekocht. Het huis wordt niet nader gelokaliseerd. Enkel is vermeld dat het naast het perceel van Johan van Vyrssen was gele gen. 91 W ij weten dus niet of in 1553 nog op hetzelfde in 1515 genoemde huis bij de minderbroeders werd gedoeld. Naast het bezit van onroerend goed kan het bekleden van functies een indicatie zijn voor de sociale status. ‘Meyster Jann van Oel bildesnijder’ trad in een akte van 31 oktober 1530 op als een van de twee meesters van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in de parochieke rk. 92 De broederschap van Onze-Lieve-Vrouw-opter-Poorten De Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in de parochiekerk is dezelfde als de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw-opter-Poorten waarvan vanaf 1417 enige oorkonden bekend zijn. Deze broederschap beoefende de devotie tot Maria middels een Mariabeeld dat enkel afgaande op de benaming in een van de stadspoorten was opgesteld. Uit een akte van 1467 waarin de broederschap
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=