A Masterly Hand / Scientia Artis 9
81 Gerard Venner 3 80 zichzelf als de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw-op-der-Bruggeporten aanduidt, blijkt dat het Mariabeeld in de Brugpoort zijn plaats had en dat de broederschap daar wellicht ook bijeenkomsten hi eld. 93 V anaf 29 maart 1491 wordt de broederschap omschreven als de broederschap van Onze-Lieve- Vrouw-opter-Poorten ‘die men nu in der moederkercken [parochiekerk] heldt’, en wel op ‘Onsen Lieven Vrouwen altaer’, zoals in 1492 en 1501 uitdrukkelijk wordt verm eld. 94 N a 1524 is enkel nog sprake van de Onze-Lieve-Vrouwe broederschap in de parochiek erk. 95 De overbrenging van de broederschap naar het Onze-Lieve-Vrouwealtaar in de parochiekerk is gebaseerd op een overeenkomst tussen de rector van het Onze-Lieve-Vrouwealtaar en de meesters van de Onze-Lieve-Vrouwebroeder- schap van 31 januari 1490. In het inleidende gedeelte van de overeenkomst wordt verhaald dat de broeders een aanzienlijk bedrag beschikbaar hadden gesteld om een nieuw groot koor ten zuiden van het hoofdkoor en gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw te bouwen dat onlangs gereed was gekomen. De kerk- meesters van de parochiekerk hadden erin toegestemd dat het altaar dat in de ingang van het hoofdkoor was opgesteld, werd verplaatst naar het nieuwe koor en dat de broederschap aan dit altaar zijn vieringen zou houden. De broeders wensten niet in conflict te geraken met de kapelaan van het Onze-Lieve- Vrouwealtaar dat voorheen in het kleine koor stond dat nu plaats had gemaakt voor het nieuwe grote koor. Daar dit Maria-altaar (en zijn inkomsten) uit het voormalige kleine koor kennelijk ook naar het nieuwe koor was overgebracht en verenigd met het eerder genoemde altaar uit het hoofdkoor, gaf de rector toestemming aan de broederschap om aan het ene aan Maria gewijde altaar zijn vieringen en missen te houden. De broederschap mocht zich niet bemoeien met de inkomsten van dit altaar, die bestemd bleven voor de kapelaan. De overige bepalingen betroffen het onderhoud van liturgische voorwerpen en het verwerven van inkomsten in de toeko mst. 96 Op 6 augustus 1408 werd na het afhoren van de rekeningen een reglement opgesteld. Alle broeders zouden aanwezig moeten zijn in de zielmis die op maandag na Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart (15 augustus) in de parochiekerk werd gehouden. Op die dag zou voortaan de rekening worden gecontroleerd en zouden aansluitend twee nieuwe meesters worden gekoz en. 97 Ui t de jaren 1408-1553 kennen wij de namen van achtentwintig meesters, een getal dat, ook wanneer meesters werden herkozen, niet groot is. Deze weinige namen laten toch enige conclusies toe. Twaalf van hen bekleedden een functie in het stadsbestuur of behoorden tot een familie van schepenen: Rabet van Dursdael (1457, 1474, 1490), Gadert Hillen (1466), Dirk Hoeft (1467), Dirck van Kruchten (1467), Arnold Neutkens (1470, 1491, 1492), Dirk Hillen (1474), Lambrecht Pijll (1491), Johan van den Griende (1499), Dirk van Zuchtelen (1501, 1527), Rabet van Dursdael (1504), Johan van Lom (1526, 1533) en Hendrik van den Griende (153 0). 98 Ten aanzien van de zestien andere meesters die niet tot het stedelijke patri- ciaat behoorden, werd het volgende gevonden. Van drie van hen werd het beroep vermeld: Johan van Swalmen de smid (1524), Johan van Heel priester (1527) en meester Johan van Oel beeldsnijder (1530). De in 1408 genoemde meester Mathijs van Megen was in 1421 schepen van de schepenbank
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=