A Masterly Hand / Scientia Artis 9

77 Gerard Venner 3 76 gepaste eerbied over Maria hebben gesproken en zich daarom verdacht hebben gemaakt van ketterij. De schout eiste een boete van 1000 goudgulden. Jan antwoordde daarop dat hij alleen had doorverteld wat hij had horen zeg gen. 68 Conclusies In Venlo waren in de jaren 1490-1542, met name rond 1524, mogelijk twee goudsmeden gelijktijdig werkzaam. Beeldsnijders en schilders fungeerden niet naast, maar na elkaar. Volgens de beschikbare Venlose bronnen was er telkens maar één schilder en beeldsnijder ter plaatse actief. Het is dan ook uitzonder- lijk dat in de kleinere stad Kalkar in de jaren dertig en veertig van de zestiende eeuw drie ateliers van beeldsnijders gelijktijdig werkzaam waren, te weten dat van Henrick Douwerman, Henrick van Holt en Arnt van Tricht. Het naast elkaar functioneren van drie ateliers is volgens B. Rommé enkel te verklaren vanuit de faam die van Kalkarse beeldsnijders als leveranciers van hoog­ waardige producten uitgi ng. 69 De laatmiddeleeuwse en zestiende-eeuwse kunstenaars waren in het alge- meen geen personen die vanuit een zelf gekozen levenswijze buiten dan wel kritisch tegenover de maatschappij stonden. In Kalkar waren zij in de zestiende eeuw in staat om stedelijke openbare ambten uit te oefenen. Zij bezaten aldus voldoende inkomen om niet uitsluitend voor het dagelijkse brood te hoeven werken. Ook in Kleef bracht de zoon van Dries Holthuys het tot raadslid en schepen. Een dergelijke rol was voor de beeldsnijders en schilders in Roermond en Venlo niet weggelegd. Omdat de schepenen en raadsverwanten voor het leven zitting hadden en vacatures in de praktijk door coöptatie werden ingevuld, was het voor ambachtslieden onmogelijk om tot het stadsbestuur door te dringen. De kunstenaars beschouwden zich niet als artiesten in de hedendaagse ­ betekenis, maar waarschijnlijk eerder als beoefenaren van een kunsthandwerk, een ambacht dat artistieke begaafdheid vereiste. De beeldsnijders te Kalkar en Kleef produceerden niet alleen de in kunsthistorisch opzicht zo belangrijke beelden en retabels, maar waren ook bereid om eenvoudige werkzaamheden uit te voer en. 70 V oorbeelden van dergelijke opdrachten aan schilders en beeldsnijders hebben wij ook in de Venlose stadsrekeningen gezien. Eigenlijk leveren de stadsrekeningen ook niet meer op dan opdrachten van relatief geringe omvang. Slechts twee keer wordt een beeld in de rekeningen vermeld. In 1501 werd 3 gulden uitgegeven voor een ‘Sente Cristofersbilde an der Maze- port en’. 71 H et beeld had dus zijn plaats in of tegen de Maaspoort. Deze stand- plaats op een druk punt kan ingegeven zijn door het middeleeuwse volks­ geloof. Sint-Christoffel was de patroon tegen een onvoorziene do od. 72 H et zien van de afbeelding van Sint-Christoffel zou die dag een waarborg zijn tegen een onzalige dood, een dood zonder de laatste sacramenten te hebben ontvangen. De uitgavenpost van 1501 vermeldt niet wie het beeld had vervaardigd of van wie het werd gekocht. Zoals reeds beschreven kocht de stad Venlo in 1516 een Sint-Willibrordsbeeld dat in de jaarlijkse processie(s) werd meegedragen. Ook in dit geval werd niets omtrent de herkomst vermeld. Wij kunnen alleen maar veronderstellen dat de in de rekeningen genoemde schilders en beeld­ snijders ook grote opdrachten – schilderstukken en beelden – uitvoerden.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=