A Masterly Hand / Scientia Artis 9

69 Gerard Venner 3 68 omgeladen, hetgeen de bedrijvigheid ter plaatse stimuleerde. In het begin van de veertiende eeuw was Venlo voor Holland de eerstvolgende stapelmarkt voor producten die over de Maas werden vervoerd. Ten dienste van de handel en markt kwam te Venlo een uitgebreid marktapparaat met zoutmeters, ­ wijnschroeders (lossers en laders van vaten wijn), makelaardij en wissel- en opslagfaciliteiten tot ontwikkeling. Venlo was voorts de centrale markt voor het noordelijke gedeelte van het Overkwartier. Niet alleen markt en handel waren van belang. Blijkens de aanwezigheid van een lakenhal tegen het einde van de dertiende eeuw, tenminste één vol­ molen en een ‘wollenampt’ in de vijftiende eeuw, moet ook de textielindustrie van enige betekenis zijn gewe est. 10 N et zoals de Roermondenaren bevoeren Venlose burgers de Rijn en de Maas vermoedelijk van Mezières tot Dordrecht. Volgens Th.L.M. Thurlings hadden Roermond en Venlo gelijklopende econo- mische belangen en traden zij in hun actieve handel en scheepvaart zozeer als een eenheid op dat men haast van een dubbelstad kan sprek en. 11 Gilden Binnen de stad waren degenen die eenzelfde of een aanverwant beroep uitoefen­ den verenigd in ‘ambten’ of gilden. Voor Roermond beschikken wij pas met betrekking tot de zestiende eeuw over voldoende gegevens om een overzicht van de ambten te bieden. Roermond kende toen in ieder geval vijftien gilden: de gewandmakers, de linnenwevers, de kleermakers, de schoenmakers, de ­ pelsers, de smeden, de goudsmeden – waaronder de schilders en glasmakers –, de metselaars en leidekkers, de timmerlieden met de schrijnwerkers, de rade- makers en kuipers, de korvers en wanmakers, de brouwers, de bakkers, de kremers – waaronder de winkeliers –, de schippers en tenslotte de kool- drag ers. 12 De ze gilden kenden in ieder geval in de tweede helft van de zestiende eeuw een overkoepeling onder vijf ‘voornaamste ambten’ die daarom ‘grote ambten’ heetten. De vijf grote ambten waren die der schippers, gewandmakers, brouwers, schoenmakers en smeden. Met name de eerste twee zullen tot de grote ambten behoord hebben vanwege het belang dat zij voor de stedelijke economie hadden. Onder het ambt van de schippers waren het ambt van de kremers en de ververs verenigd, ofschoon niet bekend is dat de ververs een apart ambt vormden. Tot het ambt van de gewandmakers behoorden de droog- scheerders, ofschoon niet bekend is dat zij een apart ambt vormden, en verder het ambt van de metselaars en leidekkers en dat van de goudsmeden. Onder het ambt van de brouwers ressorteerden de ambten van de timmerlieden ( en aanverwante beroepen) en dat van de pelsers. Onder het ambt van de schoenmakers vielen die van de bakkers, linnenwevers en korvers, en tenslotte onder het smedenambt die van de kooldragers en kleermak ers. 13 Me rkwaardig blijft het dat aldus ambten oftewel beroepsgroepen waren samengevoegd die weinig met elkaar te maken hadden. De reden van deze samenvoeging blijkt niet uit archiefstukken, maar E. Liesegang heeft ten aanzien van een soort­ gelijke situatie te Kleef verondersteld dat het schijnbaar willekeurig verenigen van ambten een militair doel diende, namelijk het vormen van eenheden ter verdediging van de stad die tevens als afdelingen van het leger van de landsheer ten strijde konden trekk en. 14

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=