A Masterly Hand / Scientia Artis 9
bijvoorbeeld golden beperkingen bij het aannemen van leerlingen, omdat met goedkope krachten zoals leerjongens de productie van ambachtslieden oneven- redig kon worden vergroot, waardoor onderlinge concurrentie zou kunnen ontsta an. 81 Ee n ander gegeven dat de these van één omvangrijk Elsloo-atelier met gespecialiseerde onderafdelingen tegenspreekt, is de gebruikelijke taak verdeling bij grootscheepse opdrachten over verschillende zelfstandig werkende kleine ateliers door een tussenpersoon of een hoofdaanne mer. 82 Gezien het feit dat zelfs in een belangrijk centrum als Antwerpen de ateliers over het algemeen bescheiden waren, is het nauwelijks voorstelbaar dat een kleine stad als Roermond een uitzondering op de regel zou zijn. De vergelij- king van het Elsloo-atelier met een negentiende-eeuwse onderneming zoals de Firma Cuypers en Stoltzenberg in Roermond is alleen al met het oog op de intensieve bedrijfsvoering niet realistisch. Direct na de start in 1855 boden de kunstwerkplaatsen Cuypers en Stoltzenberg aan negenentwintig beeldhouwers en schrijnwerkers we rk. 83 Ee n jaar later waren er al veertig personen actief en in het topjaar 1870 was het aantal zelfs opgelopen tot zestig medewerkers. Het is ondenkbaar dat laatmiddeleeuwse werkplaatsen een vergelijkbaar personeelsbestand hebben gekend. Is het niet realistischer om het uitgebreide Elsloo-oeuvre als de gezamenlijke opbrengst te zien van verschillende beeld snijders met kleine ateliers? Kan de grote verspreiding van de werken in een uitgestrekt gebied ook niet te verklaren zijn door de vestiging van gezellen of leerlingen in een andere plaats in de omgeving, waar de stijltraditie en het vakmanschap van de leermeester in het eigen atelier werden voortgezet? Wellicht werkten beeldsnijders ook wel samen onder leiding van een hoofd aannemer aan grootscheepse opdrachten, zoals bij de productie van grote beeldenensembles als die in de kerken van Neeroeteren en Siersdorf. In het geval van de Roermondse beeldsnijdersfamilie Van Oel zou het verleidelijk zijn te denken aan een overdracht van vader op zoon en op de volgende generatie. Maar zolang er geen werk van een Van Oel bekend is, snijdt deze veronder stelling geen hout. Ondanks de kanttekeningen en vragen bij de publicaties van Gorissen, Lemmens en De Werd is hun onderzoek waardevol als discussie-instrument. Dit laatste geldt ook voor de classificatie van het onoverzichtelijke Elsloo beeldenbestand waarmee zij een begin maakten. De indeling in stilistisch samenhangende groepen zou bij het verdere onderzoek in grote lijnen kunnen worden aangehouden of aangepast, zonder de achterliggende gedachte van één groot atelier à la Cuypers. De dateringen 1523 en 1545 Vanwege het jaartal 1523 op de rugzijde van de Maria met Kind in Luik wees Timmers in 1940 op het belang van dit bee ld. 84 Ve rmoedelijk heeft Timmers deze informatie ontleend aan J. Helbig die in 1890 als eerste op het – volgens hem in het hout gesneden – jaartal attendeer de. 85 O ok Gorissen, Lemmens en De Werd hebben het jaartal 1523 aangewend om een chronologie aan te brengen in het oeuvre van de Meester van Elsloo. Op grond van deze datum neemt Gorissen aan dat de Meester van Elsloo zich in het begin van de jaren 1520 in Roermond vestigde nadat de beeldsnijder in het Nederrijngebied actief
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=