A Masterly Hand / Scientia Artis 9

37 Peter te Poel 1 36 ­ individuele waar­nemingen zonder concrete informatie voor de waarheid door- gaan, waardoor onderzoeksresultaten in een vaag gebied tussen ontoereikend feitenmateriaal en veronderstellingen blijven zweven. Het hoeft niet te verbazen dat in de loop van de tijd de nodige vraagtekens bij het Elsloofenomeen zijn geplaatst. In hoeverre beantwoordt de Meester van Elsloo en zijn omvangrijke atelier aan een historische realiteit? Moet de nood- naam worden gezien als een verzamelbegrip voor stijlverwante beelden uit diverse beeldsnijdersateliers in het vroegere Opper-Gelre? Of refereert de Meester van Elsloo aan een bepaalde kunstenaarspersoonlijkheid die aan het hoofd heeft gestaan van één goed georganiseerd bedrijf dat gedurende meer- dere generaties een uitzonderlijk grote productie ken de? 73 D e suggestie als zou de ‘Firma Elsloo & Co’ gefunctioneerd hebben als een negentiende-eeuws atelier à la Cuypers en Stoltzenberg in Roermond, is meermaals in twijfel getrokken. Al in 1980 merkte Timmers op: ‘waar in een landstreek meerdere equipes naast elkaar opereerden en elkaar uiteraard beïnvloedden, bestaat steeds het gevaar teveel aan één enkel atelier toe te schrijven, waardoor de kijk op het geheel vertroebeld wor dt’. 74 De ze opmerking was een duidelijke vinger- wijzing naar de overzichtstentoonstelling in 1974. Andere onderzoekers zoals Didier zien in een gedeelte van het Elsloo-oeuvre ‘de bijdrage van helpers die zich nadien voor eigen rekening gingen vestig en’, 75 ter wijl Williamson bij enkele Elsloobeelden een betrekkelijk klein atelier in gedachten heeft dat in Roermond was gevestigd en wellicht ook door het omliggende gebied rond- tr ok. 76 De maker van deze beelden zou een andere persoon zijn dan de Meester van Elsloo, maar die wel rechtstreeks aan hem was verbonden en die omstreeks 1520 heeft gewerkt. In 1997 schreef H. Tummers ten aanzien van de onderlinge verschillen tussen de Elsloobeelden in de Sint-Lambertuskerk in Horst dat men moeilijk van één kunstenaarshand kan sprek en. 77 V olgens Tummers ‘ heerst er tegenwoordig onder (kunst)historici twijfel aangaande de term ­ Meester van Elsloo als benaming van één grote beeldhouwer die heel lang aan het hoofd heeft gestaan van één omvangrijk atelier’. V.M. Schmidt vraagt zich op zijn beurt af of een ‘BV Elsloo met enige historische werkelijkheid corres- pondeert en of men niet toch moet denken aan verschillende werkplaats en’. 78 De veronderstelling van meerdere kleine ateliers in plaats van één grote werk- plaats met vele medewerkers wordt gesteund door de uitkomst van een onder- zoek naar de omvang van beeldsnijdersateliers in Antwerpen in de tweede helft van de vijftiende en de eerste helft van de zestiende ee uw. 79 An twerpse werk- plaatsen werden over het algemeen gezien als grote ondernemingen met een ver doorgevoerde specialisatie en arbeidsverdeling voor de vele werknemers, die binnen één en hetzelfde bedrijf intensief samenwerkten om grootscheepse opdrachten uit te voeren. De Scheldestad was immers het belangrijkste ­ productiecentrum van retabels of altaarkasten met gesneden en gepolychro- meerde beeldengroepen en geschilderde zijluiken. Onderzoek in de middel- eeuwse archieven van Antwerpen heeft echter anders uitgewezen. Zo is ­ vastgesteld dat zelfs in dit belangrijke productiecentrum de werkplaatsen onverwacht klein van omvang waren. Naast de meester en zijn gezel kenden de ateliers een zeer kleine bezetting. Werkplaatsen m et veel m eer dan één leer- jongen kwamen in Antwerpen maar sporadisch v oor. 80 O ok in Maastricht

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=