A Masterly Hand / Scientia Artis 9

51 Gerard Venner 2 50 Nader onderzoek naar de herkomst van de Elsloose Annatrits zal zich, zoals door Timmers aangegeven, in eerste instantie moeten concentreren op de ­ herkomst van beide monumentale altaren. Deze twee barokke altaren die zich nog steeds in de kerk te Elsloo bevinden, zijn vrijwel identiek van aard. Beide houten altaren zijn beschilderd als waren zij uit marmer vervaardigd en bevatten elk een nis ter plaatsing van een heiligenbeeld. Het altaar dat vanuit het schip gezien aan de linkerzijde is geplaatst, bevat een schilderstuk van de Maria-Tenhemelopneming uit de eerste decennia van de negentiende eeuw ( afb. 2.2a). Het altaar aan de rechterzijde bevat een schilderstuk met een ­ Kruisafneming, een zeer vrije navolging van Rubens’ Kruisafneming in de kathedraal van Antwerpen (afb. 2. 2b). 9 De herkomst van de zijaltaren uit de Munsterkerk te Roermond De Munsterkerk te Roermond is het enige bouwwerk dat van de Munsterabdij is overgebleven. De laatste resterende vleugels van het abdijcomplex ten zuiden van de kerk en daterend uit de dertiende eeuw, werden in 1924 gesloopt. De Munsterabdij werd in de jaren 1219-1220 gesticht door graaf Gerard IV van Gelder en zijn moeder Richardis, en opgenomen in de cisterciënzerorde. De kerk, tenminste het oostelijke gedeelte, werd op 1 oktober 1220 door de aartsbisschop van Keulen gewijd. De Munsterabdij zou rond 1280 door veertig monialen zijn bewoond. Tegen het einde van de vijftiende eeuw waren er mogelijk circa twintig vrouwen, een getal dat later tot een tiental terugli ep. 10 Na de komst van de Fransen in oktober 1794 werd de abdij ingevolge de Franse wetgeving begin 1797 opgeheven. De goederen van de abdij werden staats­ eigendom en aan particulieren verkocht. Het abdijcomplex bleef in handen van de staat. Het abdissenhuis werd in december 1797 als gevangenis in gebruik genomen, terwijl de a an de k erk grenzende gebouwen als kazerne van de ­ gendarmerie dienst ded en. 11 Spoedig na het vertrek van de religieuzen, in ieder geval vóór 1 april 1797, werden de roerende goederen van de Munsterabdij, van de minderbroeders en van het klooster Houthem Sint-Gerlach, gevestigd in het voormalige kartuizer­ complex, geïnventariseerd door een zekere Pointe, commissaris van het ­ directoire exécutif in het kanton Achel. De verkoop van de inboedel van de gesloten kloosterkerken vond plaats in de laatste dagen van juli 1798. Helaas werden de stukken van deze openbare verkoop niet teruggevonden, zodat wij weinig weten over de objecten en de kopers. Een kroniekje over deze periode vermeldt: ‘Het meestendeel der saecken van belang sijn door particuliere ­ borgers met hoop op de herstelling der godsdienst aengekogt.’ Naast de nog te noemen J.B.J. Meyer behoorden in ieder geval de heren P.L. Speckens, J.M. Janssen en J.M. Seipgens tot de kopers. De drie kochten de inboedel van de minderbroederskerk en deden deze naderhand cadeau aan de parochiekerk. Als gevolg van het Concordaat van 1801 tussen de paus en Napoleon werden de verhoudingen tussen de Kerk en de Franse Staat genormaliseerd. Als uit- vloeisel van het concordaat werd voorzien in de teruggave van alle nog niet door de staat vervreemde kerken die voor de eredienst noodzakelijk waren. Het resultaat was onder andere dat de Munsterkerk op 2 december 1803 weer voor de rooms-katholieke eredienst werd geopend en kapelaan Clocquet er

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=