A Masterly Hand / Scientia Artis 9

43 Peter te Poel 1 42 zijn volgens hem minstens tien jaar v roeger ontstaan dan de apostelbalk. 49 H orst 1974: 18. 50 V enner 1980. 51 I bid.: kol. 5, noot 6. 52 I bid. 53 I bid.; Gorissen 1972: 272, 273. 54 V enner 1986. 55 V oor bijkomende gegevens op basis van n ieuw archiefonderzoek uitgevoerd door Gerard Venner, zie artikel 3 in deze p ublicatie. 56 S int-Truiden 1990: II.38-II.63. 57 D idier 1990: I.8. Becker (1992: 56) s chrijft dat de Meester van Elsloo door het onderzoek ‘neuerdings mit dem in Roermond zu lokalisierenden Bildhauer J an van Oel identifiziert [ist]’. 58 N ieuwdorp 1992: 29, noot 4. 59 I bid.: 30; Didier 1990: I.7. 60 I bid. 61 N ieuwdorp 1992: 30-33. 62 M aastricht 2000. 63 S int-Truiden 1990: III.94-III.112. 64 I bid.: cat. nr. 58. 65 W illiamson 1992a; idem 2002: 56, n r. 10. 66 V on der Osten en Vey (1969: 237) schrijven deze beelden in Utrecht en Cleveland toe aan de ‘Master of the Piercing Eyes’. Lemmens en De Werd ( in Horst 1974: 14) brengen ze vervol- g ens met het Elsloo-atelier in verband. 67 W illiamson 1992a: 70. 68 I dem 1992b. 69 I dem 2002: 22; Woods 2007: 194-199. 70 Z ie hierover ook Kim Woods, artikel 7 i n deze publicatie. 71 J anssen, Te Poel en Schäfer 2001. 72 T e Poel 2001: 72-74. 73 G orissen 1965: 24; Horst 1974: 18; L emmens 2001; Te Poel 2007a: 24-29; idem 2007b. Lemmens omschreef de Meester van Elsloo in 2001 als een meester uit de omgeving van Arnt Beeldesnider, die zich van de regio Kleef naar Opper-Gelre begaf en zich vestigde in Roermond. Hij schrijft: ‘Hier kwam een waarschijnlijk meerdere generaties omvattend atelier tot stand waaraan de noodnaam ‘Meester van Elsloo’ gegeven is naar een hoofdwerk in de kerk van dat dorp. Deze Elsloo-ateliers [sic] hadden op hun beurt een grote uitstraling. Men vindt hun werken niet slechts in Oppergelre, maar ook in het Keulse gebied en het huidige Belgisch Limburg.’ Ook de auteur van deze bijdrage heeft lang in één groot Elsloo-atelier geloofd, totdat ik er tijdens de jarenlange voorbereiding van het interdisciplinaire project steeds meer van overtuigd raakte dat deze opvatting hoognodig bijstelling behoefde. 74 T immers 1980: 166. 75 D idier 1990: I.9. 76 W illiamson 1992a: 70. 77 T ummers 1997: 5. 78 S chmidt 1994: 14. 79 P eeters en Martens 2005. 80 I bid.: 83-85. 81 U bachs 2000: 34. 82 D e Boodt en Schäfer 2007: 127-130. 83 S chiphorst en Thoben 1995: 13. 84 T immers (1940: 77) hoopte met dit g egeven de identiteit van de maker op het spoor te komen, aangezien dit jaartal samenvalt met de tijd waarin de benedictijnen van de Sint-Jacobsabdij in L uik hun kerk bouwden. 85 H elbig 1890: 120-121. 86 G orissen 1972: 273-275. 87 Horst 1974: 12. 88 Didier 1992: 113, noot 9. 89 Zie het verslag in het KIK dossier 1967.00636, opgemaakt op 18 december 1968 door Agnes Ballestrem: ‘1525 […] daté sur le bord du manteau à l arrière à droite en bas’. 90 S int-Truiden 1990: cat. nr. 56. Didier neemt aan dat het beeld voor de Sint-Jacobskerk in Luik is vervaardigd en beschouwt abt Jean de Coronmeuse ( overleden in 1525) min of meer als opdrachtgever. De plaatsing in de Luikse kerk in 1523 van dit beeld dat van een Marianum afkomstig zou zijn, wordt volgens Didier bevestigd door het jaartal 1523 geschilderd op de boord van het kleed. Samen met de Calvarie van Barmen uit 1545 zou dit het enige met zekerheid gedateerde beeld in het oeuvre van de Meester van Elsloo zijn. Zonder bronvermelding over de opdracht van Coronmeuse hebben de vermoedens van Didier echter geen zin. Wel is duidelijk hoe hardnekkig en langdurig foutieve vermeldingen uit de negentiende eeuw, zoals de datering 1523 op de achterkant van het beeld, kunnen overleven. Het gebruik van een foutieve ijkdatum kan voor het onderzoek overigens tot v erkeerde conclusies leiden. 91 H orst 1974: 12. 92 I bid.: 9, 12, afb. 1. 93 D ohmen en Greggersen (2001: 109-111) d ateerden de beelden van Maria en Johannes omstreeks 1520-1530. Schnütgen (1887: 196) bracht de beelden in verband met de maker van de apostelbalk en is van mening dat ze niet tegelijk met het kruisbeeld, dat hij vroeger dateerde, zijn ontstaan. 94 O ellers (1986-1987: 279-280) noemt het verwarrend dat de diverse dateringen voor de apostelbalk en de Calvariegroep, zoals respectievelijk het tweede of derde kwart van de zestiende eeuw en ca. 1520, elkaar tegenspreken. De verwarring werd nog groter door het jaartal 1545 op de stenen console en het houten alliantie­ wapen aan de achterkant van de apostelbalk van het echtpaar Reuschenberg en Von Grein, die al in 1482 als gehuwd te boek staan en moeilijk in 1545 nog als schenkers van de balk zijn op te vatten. Het alliantiewapen werd hoogstwaarschijnlijk pas tijdens de restauratie in 1886 aangebracht, nadat de apostelbalk en de Calvariegroep in de triomfboog waren herplaatst (deze onderdelen waren jarenlang separaat van e lkaar her en der in de kerk opgesteld). 95 D idier 1992: 145-148, 194-197, 199-214. 96 I bid.: 198, 202, 205, 207, 209-210, 212-213.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=