A Masterly Hand / Scientia Artis 9

Noten 1 Timmers 1940. 2 Over de geschiedenis van dit beeld, zie ook Gerard Venner, artikel 2 in deze p ublicatie. 3 S chmidt 1994. 4 T immers 1936. 5 I dem 1940: 77. 6 D evigne 1932: 151-155; idem 1930: 65-68; idem 1927. 7 Timmers 1940: 70. 8 Idem 1948: 10; idem 1949: 40, noot 55. Timmers legde een relatie tussen het beeld uit Gaesdonck en ‘talrijke helpers en leerlingen’ of ‘school’, maar van een directe toeschrijving aan de Meester van Elsloo is geen sprake. Later kwam hij op een aantal toeschrijvingen terug, zoals in het geval van de Sint-Anna te Drieën- beelden in Montfort en Maaseik die toch meer de hand van een gezel of leerling zouden verraden. Verder vermoedde hij dat in de Belgische Kempen navolgelingen uit de eerste en tweede hand zeer talrijk aa nwezig zijn. 9 T immers 1949: 35. 10 Id em 1948: 11. 11 Id em 1949: 40, afb. 65-68. 12 A msterdam 1958: 225, 226. 13 K utsch 1956: 49-103. 14 I bid.; De Werd 1989. 15 G orissen 1966: 158. 16 K leef 1963: 81. 17 I bid.: 82. 18 I bid.: 82, 83; De Werd 1983: 12; Hilger 1 990: 58. 19 K leef 1963: 92. Gorissen bracht de Meester van Elsloo in 1963 stilistisch in verband met Meester Arnt. Hij gaf verder aan dat een karakteristiek kenmerk zoals de smalle band op het voorhoofd van de vrouwelijke heiligen die een driehoekje tussen band en haaraanzet vrij laat, eraan bijdraagt een werk aan de Meester van Elsloo toe te schrijven. Gorissen is er zeker van dat de volgende beelden tot de Elsloogroep behoren: de Maria met Kind uit Gaesdonck, de Ursula en Maria in het Kaiser-Wilhelm-Museum in Krefeld ( thans in bruikleen in het Museum für Niederrheinische Sakralkunst, Kempen), de Mariana in Thorn, Horst en Venlo, evenals een Gertrudis uit Lottum. Volgens Gorissen is de Meester van Elsloo waarschijnlijk identiek met de M eester van de Beekse Calvarie. 20 Kl eef 1963: 92, nr. D3. 21 Go rissen 1966: 165. 22 Ide m 1967. 23 I dem 1972. 24 I bid.: 271; Keulen 1970: 102-103, nrs. 202 e n 204; Bouvy 1947: 189; Timmers 1949: 36, 37, afb. 56-59; Utrecht 1962: 122-124; Horst 1974: 10, 18, 29, 30, 33; Van Vlierden 2004: 358-361. Interessant in dit verband is te vermelden dat Timmers de werken in Utrecht in 1949 aan een Oppergelders beeldsnijder had toegeschreven. Bouvy hield vast aan Kleef-Gelre als ontstaansgebied. Meurer ( in Keulen 1970) bracht deze werken voor het eerst met de Meester van Elsloo in verband. 25 H ilger 1964: 93. 26 R einers 1911: kol. 139-148, 167-184; B ecker 1992: 57. Reiners introduceerde in 1911 de ‘Meister von Siersdorf’, die hij noemde naar de plaats Siersdorf waar zich in de parochiekerk een ensemble beelden en een ‘oxaalboog’ bevinden. Ook diverse beelden in kerken in de omgeving schreef hij aan deze beeld­ snijder toe, waaronder de apostelbalk met Calvarie in de kerk van Barmen. Op basis van het jaartal 1545 op de console onder de apostelbalk veronder- stelde Reiners dat de ontstaansperiode van de werken van de Meester van Siersdorf tussen 1520 en 1550 moest hebben gelegen. Als standplaats van deze meester stelde hij Heinsberg, Jülich of Düren voor. Het jaartal 1545 werd ook gekoppeld aan de ‘oxaalboog’ in Siersdorf, die daardoor mijns inziens twintig jaar te laat werd gedateerd. De boog zou dan niet uit de tijd stammen van Johan von Gohr die tot 1544 in Siersdorf commandeur was, zoals algemeen wordt aangenomen, maar van de tijd van Konrad von Reuschenberg ( overleden in 1522), die mogelijk in het snijwerk van de boog is afgebeeld. Deze landcommandeur liet de Sint-Jan de Doperkerk van de Duitse Orde in Siersdorf tussen 1510 en 1520 herbouwen en opnieuw inrichten. Het is evenwel mogelijk dat de boog tot stand is gekomen onder diens opvolger Franz Reuschenberg, die in 1524 als comman- d eur aantrad. 27 B onn 1967: 171-175, nrs. 45-47. 28 K eulen 1970: 28, 87, 102-103, n rs. 202-204. 29 H orst 1974. 30 V an Rensch 1974; Tummers 1997. 31 O p de tentoonstelling in 1974 waren d iverse nieuw ontdekte Elsloobeelden te zien. Aansluitend op de tentoon­ stellingscatalogus verscheen nog een aanvulling met beschrijvingen van gedeeltelijk nieuw toegeschreven werken. 32 H orst 1974: 13. 33 Z ie noot 19. 34 H orst 1974: 14, 25-27. Lemmens en D e Werd verwijzen naar de volgende beelden in het catalogusgedeelte: Birgitta in Uden, Onze-Lieve-Vrouw van Vogelsangh in Roermond, Piëta uit Hunsel (nu in het Bonnefantenmuseum te Maastricht) en Gertrudis in Lottum. 35 G orissen 1966: 165. 36 H orst 1974: 18-19, noot 27. 37 V oor het vol ledige Lam bertusbeeld, z ie KIK foto X048622. De Maria met Kind uit Krefeld is in permanente bruikleen in het Museum für Nieder­- r­heinische ­Sakralkunst in Kempen. 38 H orst 1974: 15. 39 I bid. 40 H ilger (in Bonn 1967: 172) wees in 1967 a l op deze overeenkomsten. Hij gebruikte het woord ‘Langhausmadonna’ (‘ kerkschipmadonna’) om een onder- scheid te maken met het Mariabeeld op de ‘oxaalboog’. 41 H orst 1974: 15. 42 Ib id.: 16. 43 Ib id. 44 I b id. 45 I bid.: 17. 46 I bid.: 12. 47 I bid. 48 I bid.; Franck-Oberaspach en Renard 1 902: 32, 33; Reiners 1911: kol. 172; Oellers 1986-1987: 279-280. Franck-­ Oberaspach en Renard brachten de apostelbalk met Calvarie in de kerk van Barmen in 1902 in verband met een Kalkars atelier en dateerden het geheel omstreeks 1520. Reiners schreef de apostelbalk in Barmen in 1911 toe aan de Meester van Siersdorf. Het jaartal 1545 op de console onder de balk hield Reiners aan om andere werken van de Meester van Siersdorf te dateren, zoals de in noot 26 genoemde ‘oxaalboog’ in de nabij­ gelegen parochiekerk van Siersdorf. Zoals gezegd had dit tot gevolg dat dit werk uit ca. 1520 tot dusver veel te laat werd gedateerd. Ook Oellers dateerde de apostelbalk in Barmen ca. 1530-1540 en meende dat deze stamt uit een onbekend atelier tussen Maas en Rijn. De beelden van Maria en Johannes op de apostelbalk

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=