A Masterly Hand / Scientia Artis 9

33 Peter te Poel 1 32 Deze twee werken zouden uit een late periode van de productie stammen, waarbij de apostelbalk uit 1545 de eindfase van het Elsloo-atelier inluidde. De totale werkzame periode van het atelier zou zich hebben uitgestrekt van het einde van de vijftiende tot het midden van de zestiende eeuw. Vanwege het groot aantal bewaard gebleven werken namen Lemmens en De Werd aan dat het Elsloo-atelier zeer royaal van opzet is geweest. Zij gingen uit van een goed georganiseerd bedrijf met gespecialiseerde onderafdelingen voor veelgevraagde opdrachten, van calvariegroep en Marianum tot vrijstaand heiligenbeeld. Tenslotte spraken de onderzoekers in hun catalogus de hoop uit dat archiefonderzoek ooit de werkelijke naam van de meester en zijn leerlingen aan het licht zal brengen en mogelijk informatie zal verstrekken over het aantal medewerkers. Misschien zal hun vrijblijvende hypothese dat de neogotische werkplaats van Cuypers en Stoltzenberg in Roermond een voorganger heeft gekend in het laatmiddeleeuwse atelier van de Meester van Elsloo dan worden bewaarheid, aldus eindigden de auteurs hun inleiding van de catalog us. 49 Johan en Gairt van Oel: de meester op het spoor? Zes jaar na de overzichtstentoonstelling verscheen het sindsdien vaak geci- teerde artikel van G. Venner met als titel Op het spoor van de ‘meester van Elslo o’? . 50 H ierin schrijft archivaris Venner dat met name de bevindingen van Gorissen ten aanzien van Roermond als mogelijke verblijfplaats van de Meester van Elsloo hem ertoe hebben aangezet om de middeleeuwse archieven van deze stad te raadplegen. Het was hem opgevallen dat in de kunsthistori- sche literatuur tegenstrijdige dateringen worden genoemd voor de ontstaans­ periode van de beelden. Zo waren Lemmens en De Werd van mening dat de enige twee gedateerde Elsloowerken, de Maria met Kind in Luik met het ­ jaartal 1523 en de 1545 gedateerde apostelbalk in Barmen uit een betrekkelijk late periode stammen, terwijl de meeste overige werken uit de eerste twee decennia van de zestiende eeuw zouden dateren. Gorissen daarentegen veron- derstelde dat er slechts enkele beelden uit de periode rond 1510 stammen, maar dat het merendeel van de beelden van jongere datum is. De meest actieve periode zou het atelier in de jaren twintig, dertig en veertig van de zestiende eeuw hebben beleefd. Gorissen wijzigde echter meer dan eens zijn datering voor de Roermondse periode van het Elsloo- atelier. Zo beweerde hij in 1966 dat het atelier hier in 1515 al actief was. 51 T wee jaar later veronderstelde hij ­ tijdens een lezing, waarbij Venner aanwezig was, dat de beeldsnijder van ­ ongeveer 1490 tot 1530 zijn atelier in Roermond h ad. 52 In 1972 stelde Gorissen zijn datering weer bij en meende dat de Meester van Elsloo pas vanaf ongeveer 1523 in Roermond verbl eef. 53 D eze uiteenlopende dateringen voor zowel het oeuvre als voor de vestiging van de meester in Roermond zijn volgens Venner een gevolg van het ontbreken van concrete schriftelijke gegevens. De onder­ zoekers baseerden zich eenzijdig op stijlkenmerken, waardoor de Meester van Elsloo ook nog niet kon worden geïdentificeerd. De zoektocht van Venner naar de ware naam van de Meester van Elsloo beperkte zich tot de Roermondse middeleeuwse archieven. De vooruitzichten op de identificatie van de beeld­ snijder bleken niet zo gunstig aangezien belangrijke delen van de archieven uit de eerste helft van de zestiende eeuw ontbreken. Desondanks trof Venner bij 1.25 Afb. 1.25 H. Dymphna, Venlo, Limburgs Museum, inv. 800 BM

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=