A Masterly Hand / Scientia Artis 9

Bij zijn studie van het werk van de Meester van Elsloo ging Gorissen overi- gens eveneens van de laatmiddeleeuwse atelierpraktijk uit. Midden jaren ­ zestig spitste hij zijn onderzoek verder toe op de vraag waar de Meester van Elsloo actief zou kunnen zijn geweest. Voor zijn zoektocht liet Gorissen zijn oog ­vallen op een beeld van Antonius Abt in de kerk van Mönchengladbach-­ Rheindahlen (afb. 1.14), dat vanwege de stijl en de bijzondere iconografie als vertrekpunt moest dienen. Zijn speurzin bracht hem in de kerk van Stramproy waar een Antoniusbeeld staat met frappante overeenkomsten wat betreft stijl en iconografie (afb. 1.15). Zo speelt zich aan de voeten van de Antonius in Stramproy vrijwel hetzelfde tafereel af als bij het beeld in ­ Rheindahlen. Het is een tweestrijd tussen een varken en een duivel waarbij de laatste duidelijk het onderspit moet delven. Gorissen trof nog meer nauw verwante beelden aan in de parochiekerken van Neeroeteren en Bocholt en ook in Heinsberg waar een monumentaal Christoffelbeeld staat (afb. 1.16). De concentratie van zoveel vergelijkbare werken in Midden-Limburg en omstreken, gecombineerd met de veronderstelling dat hét referentiewerk, de Sint-Anna te Drieën in Elsloo, zich oorspronkelijk in de Roermondse Munsterkerk bevond, overtuigde Gorissen ervan dat Roermond de stand- plaats van de Meester van Elsloo moest zijn gewe est. 21 In een volgend artikel berichtte hij over zijn ontdekking van een Christoffelbeeld in de collectie van het Victoria and Albert Museum in ­Lond en. 22 In 1972 breidde Gorissen het oeuvre nog verder uit met een aantal kruisbeelden en calvariegroepen in België, Nederland en Duitsland, waarvan de stijl volgens hem teruggaat op die van de Calvarie van B eek. 23 H oewel ­Timmers erop had gestaan dat de Beekse Calvarie als een creatie van de onafhankelijk werkende Meester van Beek moest worden beschouwd, vond ­Gorissen het niet nodig om onder- scheid te maken tussen de laatstgenoemde beeldsnijder en de Meester van Elsloo. De onderlinge stijlverschillen waren naar zijn oordeel een logisch gevolg van de persoonlijke inbreng van de vele medewerkers in het grote Elsloo-atelier, dat tientallen jaren zou hebben bestaan. Met het onderbrengen van de werken van de Meester van Beek onder de paraplu van de Meester van Elsloo en diens atelier nam het Elsloobeeldenbestand in betrekkelijk korte tijd gestaag toe. In dezelfde publicatie wees Gorissen nog op een Christoffel- buste in het Bayerisches Nationalmuseum in München en op de beelden van Christus en drie apostelen in het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht ( thans in het Museum Catharijneconvent, afb. 1.1 7). 24 D e opvattingen van Gorissen vonden gehoor bij zijn geestverwanten in Duitsland. Zo deelde H.P. Hilger in zijn Denkmäler des Rheinlandes uit 1964 mee dat de Maria met Kind van de Meester van Elsloo in Gaesdonck opvallende verwantschap vertoont met werken in de parochiekerk van Siersdorf bij Jüli ch. 25 D eze beelde n stonde n toen al ruim een halve eeuw op naam van de Meester van Siersdo rf. 26 In 1967 koppelde Hilger de stijl van de beelden in Siersdorf aan enkele werken in Neeroeteren en aan de Calvariegroep in Beek, met als gevolg dat het totale Elsloobestand tot een uitzonderlijk omvangrijk oeuvre uitgroei de. 27 H et is niet verwonderlijk dat het Elsloo-atelier in 1970 werd omschreven als een van de belangrijke laatmiddeleeuwse werkplaatsen voor beeldsnijkunst in het gebied tussen Maas en Ri jn. 28 1.16 Afb. 1.16 H. Christoffel, Heinsberg, Sint-Gangulfuskerk

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=