Inleiding

Valérie Herremans


Deze databank ontstond in het kader van een doctoraatsonderzoek onder de leiding van prof. dr. Arnout Balis (VUB) dat werd afgerond in 2007. Het onderwerp van deze studie waren de driedimensionale componenten van het altaarretabel in de Zuidelijke Nederlanden tussen ca. 1585 en 1685. Het uitgangspunt voor het aanleggen van deze gegevensbank was de vaststelling dat in de kunsthistorische literatuur in hoofdzaak aandacht wordt besteed aan de toprealisaties, die per definitie niet representatief zijn voor het doorsnee retabel uit deze periode. Het opgezette onderzoek beoogde dan ook een kwantitatieve analyse.

De databank behelst een inventaris van alle gedateerde werken [1], bestaand of verdwenen (en al dan niet iconografisch gedocumenteerd), die we hebben kunnen traceren op het huidige grondgebied Vlaanderen, met uitzondering van het gebied dat tot het voormalige Prinsbisdom Luik behoorde. Deze geografische afbakening is gebaseerd op haar overeenkomst met de toenmalige Vlaams-Brabantse kerkprovincie. Deze bestond (in Vlaanderen) uit het aartsbisdom Mechelen en de bisdommen Antwerpen, Brugge, Gent en Ieper. Een bijkomend selectiecriterium dat gehanteerd werd, naast de datering en geografische situering, zijn de formele kenmerken van de retabels. Enkel de stenen retabels en de houten retabels die microarchitecturale kenmerken bezitten, werden opgenomen in het corpus. Retabels die enkel uit een geschilderd altaarstuk bestaan, al dan niet voorzien van een eenvoudige lijst, werden buiten beschouwing gelaten. Bij verdwenen houten retabels van dewelke het uitzicht niet bekend is, werd afgegaan op de kostprijs van het geheel om na te gaan of er sprake was van een microarchitecturale constructie. De gedateerde retabels werden in hoofdzaak verzameld uit drie complementaire bronnen: op de eerste plaats de relevante kunsthistorische literatuur en – voor het aanzienlijke aantal retabels dat hierin niet aan bod komt – de BALaT-databank van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) en tot slot de Gids voor Vlaanderen [2].

Al deze objecten werden vervolgens ondergebracht in een relationele databank, waarbij gebruik werd gemaakt van het programma FileMaker Pro. Het invoerformulier, dat bestaat uit velden met vrije tekstinvoer en velden met gestandaardiseerde gegevensinvoer, vermeldt naast de standplaats ook de basisgegevens van het object zoals de datering, de uitvoerder(s), de altaartitularis, de functie van het altaar, de overeenkomst met betrekking tot de uitvoering, de kostprijs en de identificatie van het altaarstuk en van de illustratie. De geschilderde component vormt een onmiskenbaar geheel met de microarchitecturale constructie en de bijhorende sculptuur. Vandaar dat deze, in het bijzonder met het oog op de analyse van het iconografische programma, ook in de database werd opgenomen.

In het tweede gedeelte van het invoerformulier werden de iconografische kenmerken van het gehele retabel op gestandaardiseerde wijze ingevoerd. Dit tweede deel bestaat uit een schema gebaseerd op de algemene formele kenmerken van de retabels uit deze periode en beoogt een weergave van alle zones op het retabel, waarop al dan niet een betekenisdragend element kan aangebracht zijn. Zowel beeldhouwkunst en schilderkunst als heraldische motieven of inscripties werden in aanmerking genomen. Via een herhalend veld met gestandaardiseerde gegevensinvoer kan het voorgestelde onderwerp, het medium en – indien het om beeldhouwwerk gaat – ook de stijl van het werk aangeduid worden.

Het derde gedeelte van het invoerformulier is gewijd aan de gestandaardiseerde invoer van iconografische gegevens met betrekking tot de engelenvoorstellingen (die veelvuldig op de retabels voorkomen) en de invoer in vrije tekstvelden van informatie rond bijzonderheden van het retabel, zoals de titulus, de ontstaansgeschiedenis en de iconografie van (eventuele) andere beeldhouwwerken.

Het laatste deel van het invoerformulier omvat de gestandaardiseerde invoer van de formele kenmerken van het retabel. Nadat de algemene gegevens zoals opstand en grondplan aan bod zijn gekomen, wordt de opstand meer gedetailleerd in drie afzonderlijke delen besproken: de bekroning (het entablement van de portiek en alles wat zich daarboven bevindt), het centrale gedeelte van de portiek (tussen het entablement en de pedestal(len) / predella) en het ondersteunende gedeelte van de portiek (de pedestal(len) / predella en de basis van de constructie). Aansluitend volgt een venster met de lijst van bibliografische referenties die uit een apart bibliografisch bestand afkomstig zijn en met het object gelinkt werden.

Tot slot dienen nog twee kanttekeningen gemaakt te worden. Een eerste opmerking betreft de als methodologisch uitgangspunt vooropgestelde begrenzing van het corpus tot de gedateerde voorwerpen. Ter aanvulling op de resultaten van deze inventarisatie werden alle retabels in BALaT die als ‘zeventiende-eeuws’ staan gecategoriseerd, eveneens onderzocht. Daarnaast werden ook de talrijke ongedateerde zeventiende-eeuwse beeldhouwertekeningen, zoals deze uit de collecties van het Prentenkabinet van het Museum Plantin-Moretus te Antwerpen en de collectie Charles Van Herck[3] , eveneens onder de loep genomen. Met het oog op de interpretatie werd nagegaan in welke mate de kenmerken van deze altaren de bevindingen met betrekking tot de gedateerde altaren kunnen aanvullen. Ten tweede moet de schilderkunst in het kwantitatieve onderzoek worden benaderd vanuit haar functie binnen het retabel als een multimediaal iconografisch geheel. De gegevens met betrekking tot de geschilderde retabelonderdelen werden in hoofdzaak verzameld via BALaT. Het was niet de bedoeling om deze data binnen het raam van deze studie aan een grondiger onderzoek te onderwerpen.




[1] De datering van de altaren is gebaseerd op deze die wordt aangegeven door de bronnen vermeld in deze paragraaf. In de mate van het mogelijke werd de datering kritisch onderzocht, maar helaas laat de omvang van de gegevens (meer dan 300 retabels) niet toe elke datering te controleren, bijvoorbeeld met archivalisch onderzoek. In dit opzicht moet dus met een zekere foutmarge rekening gehouden worden.

[2] O. VANDEPUTTE (red.), Gids voor Vlaanderen. Toeristische en culturele gids van de Vlaamse gemeenten, Tielt, 1995. Deze vulgariserende publicatie met verschillende herdrukken werd samengesteld met de hulp van welingelichte plaatselijke auteurs en bevat een schat aan kunsthistorische informatie die nog niet in BALaT, noch in de kunsthistorische literatuur werd opgenomen.

[3] Deze collectie werd in 1997 aangekocht door de Koning Boudewijnstichting, die ze in langdurige bruikleen heeft gegeven aan het Prentenkabinet van het Museum Plantin-Moretus (tekeningen) en het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (terracotta's).

Databank & glossarium


Publicatie

Een lijst met werken in deze inventaris is opgenomen in Machinae Spirituales. Les retables baroques dans les Pays-Bas méridionaux et en Europe. Contributions à une histoire formelle du sentiment religieux au xviie siècle , het tiende volume in de reeks Scientia Artis van het KIK. Deze uitgave werd samengesteld onder de wetenschappelijke leiding van Brigitte D’Hainaut-Zveny en Ralph Dekoninck en verscheen in december 2014. Het boek tracht de barokke retabels, opgevat als ‘spirituele machines’, opnieuw te situeren in het sociocultuerele en religieuze weefsel van die tijd, inclusief een genealogische en typologische studie van hun materialen, vormen, thema’s en functies en een analyse van hun spirituele en dynamische esthetiek.