A Masterly Hand / Scientia Artis 9

257 Vincent Cattersel 13 256 Noten 1 Over deze Christusbeelden en voor afbeeldingen ervan, zie Gorissen 1972 en Michel Lefftz, artikel 6 in deze publicatie. 2 Voor een gedetailleerde stijlvergelijking van deze Christusbeelden, zie Michel Lefftz, artikel 6 in deze publicatie. Zie ook Gorissen 1972 en Timmers 1980: 161, 166, 167. Gorissen betrekt de Christus van Ellikom echter niet in zijn studie. 3 Zie hierover ook Famke Peters, artikel 4 in deze publicatie. Wel kan de Calvarie zijn originele positie niet hebben behouden, aangezien de kerk van Ellikom reeds tweemaal werd herbouwd. 4 Z ie ook KI K foto B58299. Dit kruis wordt nog in de kerk bewaard. 5 D e beelden van Ellikom worden ( meestal uiterst summier) vermeld in: De Borchgrave d’Altena 1936a: 79, 88, afb. 39-42; idem 1936b: 10, 56; idem 1941: 231; idem 1944: 34; Tongeren 1958: nr. 2; Hasselt 1961: nr. 57; Von der Osten en Vey 1969: 237; Dusar 1970: 168, 172; Horst 1974: 26, 29, nrs. 9-11; Lemmens en De Werd 1974: 14, 17; Brussel 1977: 111; Geukens 1977: 27; Timmers 1980: 161, 166, 167; Sint-Truiden 1990: inv. nr. 401; Didier 1992: 114, 116, 119, 135, 136. Enkel in de catalogus van Horst van 1974 en in het artikel van Didier van 1992 worden de beelden uitgebreider b ehandeld. 6 V ooral voor de moeilijk bereikbare Christusbeelden, zoals die in Eksel ( gefotografeerd door het KIK) en op diverse plaatsen in Duitsland (werkfoto’s gemaakt door Vincent Cattersel en Famke Peters), was het nieuwe foto­ grafisch materiaal een belangrijk werkinstrument. De Christus in het ­ Bonnefantenmuseum te Maastricht werd nog niet onderzocht en uitgebreid gefotografeerd. 7 D it is ook het geval bij de Christus­ figuren in de parochiekerken van Beek, Eksel, Meeuwen, Ittervoort, Breyell en Hinsbeck, maar bijvoorbeeld in mindere mate bij die van Koslar en Luik ( Sint-Pauluskathedraal). 8 R ief 1996: 39. Over deze materie, zie ook Vincent Cattersel, artikel 10 in deze publicatie. 9 E en gelijkaardige uitholling werd vastgesteld bij de Christusfiguren in de kerken van Beek, Meeuwen, Hinsbeck, Koslar en in de Sint-Pauluskathedraal te Luik. Bij de andere Christusbeelden uit de Elsloogroep kon deze vaststelling vanwege hun positie niet worden gedaan. 10 S lechts zevenentwintig van de zevenen­ zeventig beelden uit de Elsloogroep die door het KIK werden onderzocht, bleken te zijn uitgehold. Zie hierover ook Vincent Cattersel, artikel 10 in deze publicatie. 11 O p de kopse zijde van de houten pennen werd bij een visueel onderzoek onder de stereomicroscoop de originele poly- chrome afwerking waargenomen. 12 D it is een gangbare constructiewijze voor grote Christusbeelden omwille van de beperkte stamdiameter en de materiaal- technische beperkingen van eikenhout. 13 D eze spijkers kunnen niet exact gedateerd worden. Vermoedelijk dateren ze van voor het einde van de negentiende eeuw. Janse (2004: 33), met verwijzing naar Krauth en Sales Meyer 1894: 64-65, stelt immers dat er op het einde van de negentiende eeuw nog slechts op zeer kleine schaal gebruik werd gemaakt van gesmede spijkers. De toen gebruikte spijkers stemmen bovendien niet overeen met het type dat werd waargenomen op de radiografie van de Christus van Ellikom. 14 R ief 1996: 45. 15 D it is typerend voor de beelden die tot de Elsloogroep behoren, alsook voor beelden uit meer noordelijke productiecentra, zoals Kalkar. Zie Vincent Cattersel, artikel 10 en Lucretia Kargère, artikel 15 in deze publicatie. 16 D eze techniek werd ook aangetroffen bij beelden van Jan van Steffeswert, zie Maastricht 2000. 17 Z ie Vincent Cattersel, artikel 10 en Pascale Fraiture, artikel 8 in deze p ublicatie. 18 B ij het Christusbeeld van Meeuwen werden wel enkele knoesten waar­ genomen. Bij andere Christusbeelden belemmerde de beschildering en/of hun hoge positie het waarnemen van dergelijke knoesten. 19 Z ie Vincent Cattersel, artikel 10 in deze publicatie. 20 O ok bepaalde fysische verschijnselen, zoals de honingkleur en het versplinteren onder druk van de scalpel, doen vermoeden dat het om een collageenlaag gaat. 21 A lle analyses en interpretaties werden uitgevoerd door Jana Sanyova, zie ook artikel 9 in deze publicatie. 22 D e combinaties loodwit-vermiljoen voor de schildering van levende lichamen en loodwit-oker voor de inkarnaatkleur van een overledene werden reeds beschreven door Cennino Cennini. Zie Cennini ( vertaling 1933, herdruk [1954]): 93-95 en ook Colinart en Eveno 1993: 165-166. 23 D it werd vastgesteld na onderzoek onder de stereomicroscoop. 24 I n het bloed op de torso werden in een dwarsdoorsnede ook enkele glaspartikels aangetroffen die vermoedelijk dienden als siccatief en/of een bepaald optisch effect moesten creëren. 25 E enzelfde verloop van de bloeddruppels werd aan de linkerzij en het linkerboven- been vastgesteld. 26 O ver dit beeld, zie KIK dossier 2009.10280. 27 D eze verf is op basis van loodwit en krijt. 28 D eze werden in het KIK geconsolideerd met steurlijm. 29 D it is een statistische schatting gebaseerd op de visuele studie van eenentachtig plaatsen op het beeld en het craquelé­ patroon van de originele polychromie dat zichtbaar is op de radiografie. 30 G esprek met Jozef Thaens, penning­ meester van de kerkfabriek van Ellikom. Dit roetprobleem werd eveneens vastgesteld aan het ventilatiegat van de verwarming in de kerk en op de dertien beeldjes van de apostelen en Christus Salvator, ook behorend tot de Elsloo­ groep. Dit probleem is intussen opgelost door het oude verwarmingssysteem te vervangen.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjI3OTg=